Executieve functies in bewegingssituaties

Executieve functies zijn nodig waar het gaat over niet-routinematige activatie van gedrag. Dit zijn ook precies de situaties die je vaak tegenkomt op momenten dat er iets geleerd wordt. Weinig is dan routinematig. Het onderwijs en dan specifiek het onderwijs in bewegen stelt kinderen constant voor uitdagingen waarbij meer van ze wordt verwacht dan routinematige handelingen.

 

Executieve functies zorgen, zo zou je kunnen zeggen, voor de top-downcontrole van onze acties, wanneer je je concentreert én wanneer je niet op de automatische piloot kunt of mag. Je kunt dan weloverwogen handelen.

 

De dirigent

Executieve functies worden regelmatig vergeleken met 'een dirigent. Zoals de dirigent 'regelt' dat de verschillende muzikanten van een orkest afgestemd op elkaar, spelen, zo zijn de executieve functies de regelfuncties van de hersenen om ons gedrag te sturen, om zo doelgericht en efficiënt te kunnen handelen.

 

Executieve functies ontwikkelen zich vanaf de geboorte en blijven zich ontwikkelen tot de late adolescentie. De ontwikkeling ervan wordt bepaald door het ritme van de ontwikkeling van de hersenen (nature) en de stimulansen vanuit de omgeving (nurture). De ontwikkeling van de executieve functies is enerzijds sterk afhankelijk van de ontwikkeling van het brein en anderzijds extreem gevoelig voor omgevingsinvloeden. Jolles (hoogleraar neuropsychologie) spreekt in dit verband over het Doornroosje-effect.

 

Doornroosje en de prins 

De executieve functies zijn stille slapers. Als er geen ervaringen, uitdagingen of begeleiding worden geboden, dan blijven ze 'slapen'. Net zoals Doornroosje aanwezig is, maar slaapt, zo zijn ook hersenstructuren aanwezig, maar functioneren ze nog niet (optimaal). En zoals de prins van buiten Doornroosje wakker kust, zo wachten ook de hersenen tot er een beroep op hen wordt gedaan door prikkels van buiten. De omgeving zorgt voor de prikkels en ervaringen die nodig zijn voor de ontwikkeling van de executieve functies.

 

Bewegingssituaties

In een les bewegingsonderwijs komen veelvuldig situaties aan de orde waarin executieve functies een grote rol spelen om tot een optimale prestatie te komen. We geven vijf voorbeelden:

 

  • Situaties waarbij planning en besluitvorming vereist zijn.
  • Dit komen kinderen tegen bij spelactiviteiten. Tijdens een tikspel maken ze continu keuzes die te maken hebben met ‘de lopers tikken’. Bij een doelspel wegen ze af of ze een bal overgooien naar een medespeler of een doelpoging doen.
  • Situaties waarbij bijsturing of foutencorrectie van gedrag nodig is.
  • Het leren van een nieuwe vaardigheid is een duidelijk voorbeeld. Wil je ergens beter in worden, dan moet je zicht hebben op wat precies de bedoeling is én hoe je het zelf kunt doen.
  • Nieuwe vormen van gedrag of nieuwe opeenvolgingen van handelingen.
  • Het toepassen van een vaardigheid in een spelsituatie.

 

VOORBEELD IK DOE HET TOCH ANDERS!

Een speelster van een volleybalteam zet de aanval in om diagonaal te slaan. Plots merkt ze dat het blok van de tegenstander diagonaal gepositioneerd is. Ze besluit op het allerlaatste moment de bal niet diagonaal maar rechtdoor te slaan – ze is dus (bijna letterlijk) zelfsturend. Ze onderdrukt haar (eerste) intentie (inhibitie), slaat de bal in een andere richting (prioritering, planning, flexibiliteit) en wijkt dus af van haar oorspronkelijke plan.

Acties in spelsituaties zijn doelgericht en effectief dankzij verschillende executieve functies die samenwerken; deze samenwerking draagt bij aan creativiteit, flexibiliteit, zelfcontrole en discipline (Diamond & Lee, 2011) – kenmerkend voor goede sportprestaties:

  • Gevaarlijke of technisch moeilijke situaties.
  • We zoeken in het bewegingsonderwijs steeds naar situaties waarin kinderen worden uitgedaagd. Het zit zelfs besloten in de leerlijnen en bewegingsthema’s; de bewegingsuitdaging.
  • Situaties waarbij ingeroest gedrag of gewoontes moeten worden doorbroken.
  • Bewegen gaat over het aanleren van nieuw bewegingsgedrag. Een mooi voorbeeld dat je waarschijnlijk zelf ook hebt ervaren bij het leren jongleren, tijdens de opleiding. Als je vroeger hebt leren kaatsballen, dan lijkt jongleren met drie ballen er wellicht op, maar het is toch echt anders. Je merkt dat je snel terugvalt in oude patronen.

Zelfsturing onmisbaar

Controle en een bepaalde mate van grip zijn nodig om te weten waar je aan toe bent. Dan kun je anticiperen op wat er gaat komen, bepalen wat nodig is en op basis daarvan keuzes maken. Bij het verzorgen van een gymles wordt hierop continu een beroep gedaan.

Zelfgestuurd leren betekent: de sturing voor leerprocessen wordt zelfstandig en verantwoordelijk in eigen handen genomen (Boekaerts & Simon, 1995). Het is meer dan zelfstandig leren.

"Om zelfgestuurd te kunnen leren, dient een leerling te beschikken over voldoende cognitieve, metacognitieve en motivationele leerstrategieën."

Zelfs tieners en adolescenten kunnen nog niet goed plannen en blijken moeite te hebben met zelfsturing (Jolles, 2007). Dit komt doordat de hersenen pas volledig zijn uitontwikkeld in de late adolescentie. Het gaat vooral om de executieve functies, plannings- en controlefuncties. De omgeving is belangrijk om deze vaardigheden te kunnen verwerven. Niet wachten tot de hersenen voldoende rijp zijn, maar nu al starten met sturing, steun en inspiratie, aldus Jolles.

In een les bewegingsonderwijs kan het zelfgestuurd leren goed zichtbaar gemaakt worden. Bijna alle nettoresultaten van wat zich in de hersenen afspeelt, worden zichtbaar tijdens het handelen van de leerling. Het is aan de leerkracht om dit te observeren en op de juiste momenten feedback en feed forward te geven. En zoals eerder benoemd: soms is het beter om het te laten en af te wachten of het probleem zelf wordt opgelost.

Flexibiliteit

Het kan als leerkracht of begeleider van bewegingsactiviteiten lastig zijn om niet voorschrijvend, maar juist voorwaardenscheppend bezig te zijn. Misschien hebben we wel een mentale shift nodig: we zouden het leuk 'moeten' vinden als kinderen nieuwe dingen uitproberen en ervaren.

Ook van leerlingen wordt een flexibel inspelen op wisselende omstandigheden gevraagd, niet alleen tijdens spelsituaties, maar ook bij het wisselen van een activiteit. Als leerling zul je maar net een heerlijk potje pylonnentrefbal hebben gespeeld, om dan van het ene op het andere moment (einde speeltijd) op de bank te gaan moeten zitten en luisteren. Dat kan best ingewikkeld zijn, zeker als je hoog in de emotie zit.

In het tweede deel van dit artikel zal worden ingegaan op hoe je executieve functies kan beïnvloeden binnen een bewegingsles. Ofwel hoe kun je bewegingsactiviteiten benutten om executieve functies te vergroten?

Lees hier verder met deel 2

Interessant?

Wil je meer vergelijkbare artikelen lezen? 


Schrijf je dan in voor de THEMA - Kennislink.

Reactie schrijven

Commentaren: 0