Executieve functies in bewegingssituaties (2)

Ruim een week geleden schreef ik een artikel over executieve functies in bewegingssituaties. Het ging over de rol van executieve functies bij niet-routinematig gedrag. Executieve functies zorgen, zo zou je kunnen zeggen, voor de top-downcontrole van onze acties, wanneer je je concentreert én wanneer je niet op de automatische piloot kunt of mag.

 

Vandaag het tweede deel. Dit artikel gaat over de mogelijkheden om het beweeggedrag van kinderen in bewegingssituaties te beïnvloeden door rekening te houden met de executieve functies.

 

Executieve functies worden regelmatig vergeleken met 'een dirigent. Zoals de dirigent 'regelt' dat de verschillende muzikanten van een orkest - afgestemd op elkaar - spelen, zo zijn de executieve functies de regelfuncties van de hersenen om ons gedrag te sturen zodat we doelgericht en efficiënt kunnen handelen.

 

Doornroosje-effect

Ik schreef ook over het Doornroosje-effect. Hiermee wordt bedoeld dat de ontwikkeling van de executieve functies enerzijds sterk afhankelijk is van de ontwikkeling van het brein en anderzijds extreem gevoelig voor omgevingsinvloeden. En dit is nu precies het aspect dat ik in dit tweede deel meer voor het voetlicht wil brengen.

 

"Het onderwijs en dan specifiek het onderwijs in bewegen stelt kinderen constant voor uitdagingen waarbij meer van ze wordt verwacht dan routinematige handelingen." 

 

Executieve functies vergroten

In de bewegingsles zijn er grofweg twee manieren om executieve functies bij leerlingen te vergroten. Je kunt kiezen voor contextuele aanpassingen. Denk dan bijvoorbeeld aan arrangementen die contextuele meer structuur bieden en de voorspelbaarheid ten goede komen.

De andere mogelijkheid is dat je aanpassingen kiest voor activiteiten en regelingen waarmee leerlingen leren hoe ze hun gedrag, gedachten en emoties effectiever kunnen aansturen. Het gaat dan vooral om het eerst samen doen, waarna de kinderen er zelf mee kunnen oefenen. Kies je voor aanpassingen in de arrangementen, dan zal op bepaalde executieve functies minder beroep worden gedaan. Deze vaardigheden worden dan minder belast en voor een leerling wordt het dan makkelijker om zijn gedrag aan te sturen.

 

VOORBEELD - VASTE AFSPRAKEN, WEL ZO DUIDELIJK

Groep 4 is in een vak van de meervakkenles aan het soleren; stuiteren en dribbelen met een bal. leder kind heeft zijn eigen bal. De meester klapt in zijn handen en zegt: 'Ga op de grond zitten en leg de bal naast je neer.' Dit blijkt voor de meeste leerlingen een grote uitdaging. Het is zo verleidelijk om toch nog even aan de bal te zitten.

 

Het is handiger, zeker voor de langere termijn en de rust in de groep, te kiezen voor een constante structuur. Je kunt bijvoorbeeld de volgende regel afspreken: als er geklapt wordt, leg je de materialen (in dit geval de ballen) in een kastdeel en ga je op de bank zitten. Voor andere materialen, of dit nu een hockeystick, een tikstok of een badmintonracket is, geldt dezelfde regel. Wordt er geklapt? Dan leg je de materialen waarmee je aan het spelen bent weg en ga je op de bank zitten. Steeds, bij iedere les, dezelfde structuur met dezelfde regel.

 

Het gaat dus om aanpassingen in de context. Je kunt verder denken aan aanpassingen in de kenmerken van de taak of in de wijze waarop je met de kinderen communiceert. 

 

Spelactiviteiten en regelingen

Je kunt ook kiezen voor spelactiviteiten, regelingen en vormen van feedback waarmee de kinderen de kans krijgen om specifieke executieve functies te oefenen. Denk aan activiteiten zoals standbeeldtikkertje, stopdans of 'follow the leader'. Ook kun je met kinderen afspreken dat je alleen nog maar hoe-vragen gaat stellen: hoe heb je( ... ) gedaan, hoe ga je nu verder? Het oefenen van executieve vaardigheden is vergelijkbaar met het leren van motorische vaardigheden: hoe vaker je het doet, hoe beter je wordt.

 

Suggesties om zelfsturing te stimuleren

  • Houd er rekening mee dat kinderen minder dingen tegelijk kunnen doen en onthouden; dit geldt zeker in bewegingssituaties.
  • Houd verbale instructies, opdrachten en vragen kort en concreet. Zo wordt het werkgeheugen niet overbelast.
  • Maak situaties en activiteiten behapbaar. Dit geeft het kind meer overzicht, grip en een gevoel van controle. Het is dan makkelijker in staat zijn gedrag aan te sturen.
  • Het kind moet weten wat het moet doen. Check dit door het na te vragen: kun je me vertellen wat je moet doen? Stel geen ja-nee-vragen. Daarop kunnen ze bevestigend antwoorden en toch nog niet weten wat ze moeten doen.
  • Kijk kritisch naar het aantal wisselingen tijdens een les. Door handig te organiseren kun je het aantal overgangen minder en logischer maken, en doe je minder beroep op de cognitieve flexibiliteit.
  • Instructies komen alleen binnen als het kind er aandacht voor heeft. Er mag niet te veel afleiding zijn wanneer je het iets vraagt. Kijk elkaar aan, maak contact. Daardoor kan het kind beter controle uitoefenen op aandachtsprocessen.
  • Probeer zo veel mogelijk zintuigen aan te spreken. Onthouden gaat dan makkelijker. Ook in de gymzaal kun je instructie aanbieden op papier, bijvoorbeeld door gebruik te maken van media- of leskaarten.
  • Houd er rekening mee dat jonge kinderen nog erg vanuit zichzelf denken. Laat ze alleen of naast elkaar spelen; 'met elkaar' ontstaat dan als vanzelf.

 

KISS-principe

Als we deze suggesties mogen samenvatten tot één leidend principe, dan is dit het KISS-principe: Keep lt Short and Simple tijdens je lessen bewegingsonderwijs.

Interessant?

Wil je meer vergelijkbare artikelen lezen? 


Schrijf je dan in voor de THEMA - Kennislink.

Reactie schrijven

Commentaren: 0