· 

Bewegingsonderwijs met kleuters, een vak apart - 3

Dit is het derde artikel van een serie over bewegingsonderwijs met kleuters. In het eerste deel en tweede deel is ingegaan op de doorgaande ontwikkelingslijnen, het uitgangspunt van de totale ontwikkeling en de grote diversiteit tussen kleuters. Dit artikel zoomt in op speelkriebels en de relatie met vakinhoudelijke principes. 

 

Bewegingsonderwijs is een apart vak, werken met kleuters een vak apart. De combinatie van die twee verdient speciale aandacht. Een bundeling van theoretische kennis, praktische inzichten en bruikbare tips over kleuters: het hoe en waarom van bewegingsonderwijs, de ontwikkelingsmogelijkheden van het jonge kind leren snappen, en vooral ‘kleuters in beweging’ vakkundig begeleiden.

Zomaar enkele vragen

  • Wat komt er allemaal kijken bij het geven van lessen bewegingsonderwijs met kleuters
  • De verschillen tussen de jongste en oudste kleuters zijn divers. Hoe zorg je dat iedere kleuter voldoende kan halen en ervaren?
  • Kleuters hebben in hun speelgedrag behoefte aan gevoelens van competentie, autonomie en verbinding met anderen: hoe organiseer je dit?

Deze en andere vragen verdienen een antwoord. Concreet: Waarmee houd je rekening als je een bewegingsles met kleuters geeft? Wat hebben jonge bewegers die spelend leren nodig voor hun ontwikkeling?

 

Kleuters ontwikkelen zich binnen bewegingsactiviteiten breder dan alleen binnen het motorische domein. Iedere kleuter bevindt zich binnen de verschillende domeinen – waaronder het sociale, emotionele en cognitieve - op een ander ontwikkelingsniveau. Een goede les bewegingsonderwijs biedt alle kleuters ondanks de grote ontwikkelingsdiversiteit voldoende houvast, uitdaging en mogelijkheden om de eigen speelkriebels te volgen.

Ontwikkelingsdomeinen

De diversiteit in groep 1 en 2 is heel groot. De oudste kleuters van zes, zes-en-een-half jaar hebben heel andere behoeftes, wensen en bewegingsmogelijkheden dan de jongste kleuters die in de loop van het schooljaar de kleuterklas binnenkomen. Zo springt de zesjarige Hasan vol zelfvertrouwen bovenuit het wandrek, terwijl de vierjarige Caroline zich langzaam van de kast laat zakken en Yusuf, die sinds vorige week in de groep zit, het prima vindt om vanaf de bank naar de andere kinderen te kijken.

"Speciale aandacht wordt gegeven aan de speelkriebels binnen het sociale en emotionele domein omdat deze sterk van invloed zijn op het speelgedrag van het jonge kind."

Binnen de onderscheiden ontwikkelingsdomeinen: motorisch, emotioneel, sociaal, cognitief, lichamelijk en spel, bevindt ieder kind zich op een ander niveau. Hoe jonger het kind, hoe meer de verschillende ontwikkelingsdomeinen met elkaar verweven zijn en hoe meer het bewegen ingrijpt op al die domeinen. Speciale aandacht wordt daarom gegeven aan de speelkriebels binnen het sociale en emotionele domein omdat deze sterk van invloed zijn op het speelgedrag van het jonge kind.

Speelkriebels

Speelkriebels zijn omschreven als de betekenissen die het kind zelf aan een bepaalde activiteit geeft om daarmee op eigen manier vorm te geven en deel te nemen aan die activiteit. De speelkriebel is wat de bewegingsactiviteit maakt tot een activiteit waarmee het kind iets kan. Kinderen hebben en ervaren verschillende speelkriebels en komen verschillende dingen halen en brengen in de les.

Bijschrift figuur: Binnen het kader van de totale ontwikkeling leidt de afstemming tussen de ontwikkelingsdomeinen en -taken, speelkriebels en vakinhoudelijke uitgangspunten en leerprincipes tot de criteria voor een goede bewegingsles.

Oog hebben voor de specifieke speelkriebels zorgt dat bewegingsactiviteiten beter gaan aansluiten bij wat een kind wil en kan. Er wordt een bewegingsomgeving wordt gecreëerd waarin activiteiten meer gaan lukken. De succeservaringen nemen toe, de bewegingsontwikkeling krijgt een ‘boost’ en de motivatie wordt vergroot. Veelal is dit de intrinsieke motivatie om meer te exploreren en te experimenteren (Sheldon et al., 2003, 2004; Baumeister & Leary, 1995; Deci & Vansteenkiste, 2004; Deci & Ryan, 2008, 1985, 1983). Extrinsiek (ervaren) beloningen daarentegen kunnen het effect hebben dat de intrinsieke motivatie voor een handeling, activiteit of bepaald gedrag verloren gaat.

"Motivatie blijkt meer samen te hangen met kunnen

dan met willen."

De gangbare mening is dat de motivatie toeneemt, als op basis van realistisch gestelde doelen, successen wordt behaald (Latham & Locke, 2006; Weiner, 2007; Dweck, 2012, 2007, 2000). Het accent leggen op lukken, het ervaren van moeite doen, beleven van succes, intrinsiek gemotiveerd gedrag en eigenaarschap zijn de smeerolie voor effectief leren in bewegingssituaties.

Speelkriebels en bewegingsuitdagingen

Met het introduceren van speelkriebels wordt het accent gelegd op het persoonlijke ervaren en beleven van de kleuter. Door de bewegingsuitdagingen van de leerlijnen en bewegingsthema’s te verbinden met deze speelkriebels ontstaat een krachtige vakinhoudelijke combinatie.

Een benadering die vrijwel naadloos aansluit bij de constraints-led approach (Chow e.a., 2016; Renshaw, Davids & Savelsbergh, 2010; Davids, Button & Bennett, 2008). Constraints zijn de grenzen waarbinnen de kleuter beweegvaardigheden of beweegoplossingen kan verkennen.

 

De eigenschappen van de specifieke kleuter waaronder de speelkriebel, de taak en de arrangementen in het speellokaal beïnvloeden elkaar. Een verbinding met methodische principes en didactische uitgangspunten is dan ook steeds gericht op een brede bewegingservaring en -ontwikkeling van kinderen.

Drie typen speelkriebels

Binnen speelkriebels worden er drie typen onderscheiden:

  1. de beweegkriebel (wat wordt bewegend opgeroepen?)
  2. de reguleerkriebel (welke 'regeltaken' worden zichtbaar in het beweeggedrag?)
  3. de beleefkriebel (welke beleving of sensatie komt dominant naar voren?)

Door het zoeken naar persoonlijke beweegoplossingen kan de kleuter op zijn eigen wijze leren en tegemoetkomen aan zijn speelkriebels. Samen met vakinhoudelijke overwegingen en leerprincipes leiden deze vertrekpunten tot de negen criteria voor een goede les.

Samenvattend

In dit derde artikel is aandacht besteed aan speelkriebels en de relatie met vakinhoudelijke principes. Betoogd is dat door meer oog te hebben voor de speelkriebels van kinderen de bewegingsactiviteiten door de deelnemers als meer eigen worden ervaren en daarmee van invloed zijn op de intrinsieke motivatie. Door vanuit vakinhoudelijk principes en uitgangspunten oog te hebben voor speelkriebels van kleuters wordt de effectiviteit van het bewegend leren vergroot. 

 

In het volgende artikel zal aandacht worden besteed aan de criteria voor een goede bewegingsles met kleuters.

Interessant?

Wil je meer vergelijkbare artikelen lezen? 


Schrijf je dan in voor de THEMA - Kennislink.

Reactie schrijven

Commentaren: 0